Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘rollator’

Formule 1

in de derde versnelling

buurmans rollator

.

bestelde je Applaus nog niet:

https://jeaninehoedemakers.wordpress.com/applaus-haiku-en-tanka/

Read Full Post »

“Bestaat er fout vuur?”

Niet precies in die woorden, meer is het haar houding die de vraag lijkt te stellen. Het duurt even eer zij zich uit haar stoel heeft gehesen. Ze kijkt me doordringend aan, resoluut haar rollator voor zich uit duwend. “Ik moet nodig.”

Ik zit als vastgenageld aan mijn stoel en kijk naar haar. In plaats van haar mijn hulp aan te bieden vraag ik me af of het woord rollator in een gedicht zal passen.

Ik denk van wel, maar niet met haar er achter. Niet in een gedicht over mijn moeder. Bestaat er fout vuur?

Terug in de werkelijkheid. “Kijk uit mam!”

“Als ik val dan komt het van die boot,” luidt haar reactie. Ze zit nu op het toilet.

Ik sta op veilige afstand in de deuropening.

“Boot?”

“Hoe heb je me gevonden?”

“Ik heb niet hoeven zoeken.”

“Dat vind ik knap van je, je wist immers niet dat we gingen varen”

Ik schipper tussen vertellen waar we zijn en doen alsof het waar is. Dat het waar is dat we op een schip zitten.

“Er is hier een oud echtpaar en dat houdt nog erg veel van elkaar.”

Ik kijk toe hoe ze haar kleding recht trekt.

“Misschien waarderen oude mensen liefde meer,” ik zeg het aarzelend.

Ze zwijgt.

Ineens wijst ze.

“Ze moeten daar gezeten hebben waarvan niemand wist dat het een plekje was.”

Dan zucht ze en glimlacht naar de verpleegkundige die is binnengekomen om haar medicijnen te brengen.

Als het meisje weer weg is kijkt ze me aan met dat speciale blikje haar eigen. “Het was een mooie reis, alleen jammer.”

“Jammer?”

“Nou ja, dat die boot niet echt was.”

Ze lacht wat voor zich heen en stelt dan knikkend vast.

“Ja. Er bestaat fout vuur”.

 

.

 

het groene eiland

rechts van het raam

haar sta-op-stoel

Read Full Post »

in de mand

op haar rollator

een bevend hondje

Read Full Post »

‘De keinder uit un durp zen tog un stuk gemakkelukker dan stadse keinder,’ zegt een oude man tegen me, zijn ogen worden vochtig van ontroering bij de gedachte aan al dat lieve, dorpse spul. Hij haalt een zakdoek tevoorschijn en begint zijn neus rood te poetsen. Ik vraag me af waar hij de gedachte vandaan heeft. Net nog, vlak voor onze neus speelde zich een alleszins, wreed tafereeltje af. Een kleuterin trok krijsend een plukje haar uit het hoofd van haar broertje, dat kan hem toch niet ontgaan zijn. ‘Vruuger,’ mompelt hij en zwijgt dan. Peinzend poetst hij nog even voort tot zijn neus rood genoeg is, dan stopt hij zijn zakdoek weg en loopt verder. ‘U moet echt wat dichter bij uw rollator lopen,’ wil ik zeggen maar besluit om er ook het zwijgen toe te doen.
Als ik mijn ronde heb gedaan langs de kramen zie ik hem staan, hij roept naar een joch van een jaar of 10 dat hij zijn rollator terug moet brengen. ‘En wel sebiet!’ Het joch luistert niet.
‘Toch ook weer niet zo gemakkelijk, die kinderen uit een dorp,’ merk ik lachend op.
‘Dè is er ginne van ons,’ zegt hij. Zijn rode neus valt niet langer op omdat ook de rest van zijn gezicht nu rood is.

Read Full Post »

na de crematie

wachtend op een wandeling

haar rollator

Read Full Post »

ach, het arme kind

ze willen haar cakejes niet

ze willen de zon

 

leve de vrijmarkt

kinderwagens, rollators

en liters regen

 

ah, daar is het weer

het platte snoeten hondje

op de rollator

 

 

 

 

 

 

Read Full Post »

Betsie Jansen duwt haar rollator door het mulle zand tot aan het hek.
‘Geen toegang,’ leest ze hardop. Ze hijgt, haar borst gaat op en neer.
Elke dag maakt ze een wandelingetje, elke dag komt ze langs dit hek, nog nooit was het gesloten. Haar knokkels worden wit, zo strak klemt ze haar handen om de handvaten van de rollator.
‘Wat is dit nu?’ Henk de Wit, ook wel Broer genoemd staat plotseling achter haar. Hij leunt op zijn stok.
‘We mogen er niet langs.’
Betsie haar blik voorspelt weinig goeds .
‘Joehoe, luitjes?’ Neeltje Scheltema nadert. Aan haar rollator is een mand bevestigd.
‘Wat krieg’n wie noe dan? Wat stoat ie hier te prakkizere’n?’
Henk grinnikt, al zolang hij Neeltje kent vraagt hij zich af hoe hij haar dialect moet plaatsen. Is het Gronings, is het Twents, hij vroeg het eens. Het is des Neeltjes, repliekte zij.
Bultje Bokkema, niemand weet zijn echte voornaam, met in zijn kielzog Tanneke Huizinga, roept al uit de verte.
‘Is er een feestje?’
Eenmaal dichterbij gekomen verneemt ook hij wat er op het bord staat.
Tanneke knijpt demonstratief in de toeter die haar schoonzoon voor haar aan de elektrische rolstoel bevestigde. Je bent een gevaar op de weg, had hij lachend beweerd toen zij protesteerde. Maar intussen vindt ze het maar wat gemakkelijk dat zij voortaan kan waarschuwen als zij er aan komt.
‘Wij mogen er niet langs.’ Betsie haalt in schijnbare berusting haar schouders op, haar ogen dwalen als vanzelf naar de mand van Neeltje.
‘Ik ga picknick’n,’ zegt Neeltje, ‘geen bord dat mij teg’n kan houd’n.’
Bultje lacht, Neeltje bevalt hem wel.’Ik ga met je mee.’
‘Ik wil ook picknicken,’ zegt Tanneke, haar zangerige stem schiet wat omhoog bij het zien van Bultjes poging Neeltje voor zich te winnen.
Neeltje Scheltema is met haar 72 de jongste van het stel. Behalve met een opgewekt humeur is Neeltje ook nog eens gezegend met een jeugdig uiterlijk.
Neeltje wenkt Riek en Willem van der Zanden, het echtpaar slaat vanaf een afstand het gezelschap nieuwsgierig gade. Ze aarzelen even en stappen dan gearmd op hen af.
‘We kunn’n niet verder,’ zegt Neeltje, haar lippen rebels getuit.
Riek duwt haar chique hoedje recht en trekt een denkrimpel. Willem moppert iets over plichten en rechten. Iedereen weet dat Willem gestudeerd heeft, men respecteert hem er om maar vraagt zelden zijn mening. Die lult me te uitvoerig, klapte Bultje onlangs uit de school. En ook al moest iedereen daar enorm om lachen, daarmee werd een stevige toon gezet.
‘Wat lief dat jullie allemaal zijn gekomen,’ Eefje loopt aan de arm van Hendrik, een grote stevige kerel. Om zijn mening wordt wel vaak gevraagd ook al staat hij bekend om zijn grove taalgebruik. Een schril contrast vormt de frêle Eefje aan zijn arm. Eefje is er nu en dan van af. In haar bleke snuitje met de dunne perkamente huid staan twee grote blauwe kijkers die ongelovig de wereld inblikken. Ze knikt van links naar rechts en trekt aan de arm van Hendrik.
‘Kom zegt ze, de pastoor wacht. De mis begint zo. Anders trouw ik niet met je hoor’
Betsie is de eerste die de wat onwennige stilte die zomaar ineens is gevallen doorbreekt.
‘Gisteren kon ik gewoon doorlopen en nu mag het ineens niet meer.’
‘Ach flikker toch op,’ buldert Hendrik, hij kan er niets aan doen, zijn stem slaat altijd op hol als hij zich ergert. Hij zet er de pas in en sleept onbedoeld een geschrokken Eefje met zich mee. Willem haalt Hendrik in en neemt Eefje van hem over. ‘Je mag wel aan mijn arm lopen,’ zegt hij. Eefje zou Eefje niet zijn als zij dat zomaar toeliet. Haar zachte stem klinkt ferm als ze hem verbiedt haar aan te raken. ‘Schapenneuker,’ zegt ze.
Logisch dat Willem van kleur verschiet, Hendrik echter begint hard en bulderend te lachen. Ook Neeltje begint te lachen, Bultje volgt en evenlater staat er een compleet gezelschap te gieren van het lachen.
Behalve Eefje, zij heeft het hoedje van Riek op haar hoofd gezet en zegt streng dat Mientje, zo noemt ze Riek, voortaan van haar spulletjes af moet blijven.
Het is Tanneke die zich over Eefje ontfermt. Met een paar woorden weet ze haar zover te krijgen dat zij netjes achter de rolstoel gaat staan.
Hendrik probeert het slot open te krijgen maar het lukt hem niet. ‘Jammer dat Dirk er niet is,’ bromt hij, ‘die krijgt elk slot open.’
‘Ik kan Dirk gaan halen,’ stelt Henk voor. Henk is met zijn 85 nog heel vief, niemand zal dat ontkennen, toch trekt er een golf van onwil door het gezelschap.
‘Dan bennie morg’n pas t’rug Broer,’ grapt Neeltje.
‘Ik ga wel,’ Willem wacht geen antwoord af en vertrekt.
‘We kunn’n ook wel hier picknick’n’, stelt Neeltje voor en drapeert een deken op de grond.
‘Als ik eenmaal zit ben ik nog niet zomaar weer overeind hoor,’ zegt Riek, ze kijkt een tikje jaloers naar Betsie die op haar rollator is gaan zitten. Dat ontgaat Neeltje niet, ze haalt de mand van haar rollator en duwt hem naar Riek.
‘Vroeger had ik een echte poppenwagen’ monkelt Eefje ze aait Tanneke over haar hoofd, ‘maar niet zo’n braaf kindje.’
Hendrik staat met zijn rug tegen het hek en rookt een sigaar. Tanneke kijkt op haar horloge Het is inmiddels een half uur later. In dat half uur hebben ze gezamenlijk Eefje rustig moeten zien te krijgen, ze beweerde dat zij haar trouwring had ingeslikt. Ook wisten ze Bultje zijn echte naam te ontfutselen. ‘Aart’, had hij uiteindelijk gezegd, ‘zo heet ik’. Eefje was er waarachtig rustig van geworden. ‘Dat is een mooie naam,’ vond ze,’Aart, Aart rijmt op taart.’
Betsie had tot driemaal toe voorgesteld om terug te wandelen.
Ze wisten het haar uit haar hoofd te praten, het zou niet solidair zijn, was het eensgezind motto. ‘Dan lopen we Willem mis,’ aldus Riek en daar had Betsie weinig anders op te antwoorden dan dat ze daar gelijk in kon hebben.
Het is Henk die ontdekt dat Eefje weg is.
‘Verdikkeme,’ roept hij en schuifelt het pad af.
Tanneke zwenkt met haar rolstoel, ‘wacht maar, ik haal haar wel in.’
‘Eefje, Eefje!’
‘Je moet die toeter bruik’n.’
Tanneke knijpt eens flink in de toeter
Het helpt Eefje gaat langzamer lopen.
‘Wat ga je doen?’
‘Tumtummetjes kopen.’
Ze zet er de pas weer in.
‘Wacht even, we gaan straks samen koffie drinken, met een appelpunt er bij. Dat is toch veel lekkerder dan tumtummetjes.’
Eefje schokschoudert .
Als geroepen komen Willem en Dirk hen tegemoet gelopen. Tanneke zucht opgelucht.
Eefje stopt, ze kijkt van Dirk naar Willem. ‘Sch..’
‘Jaja, stil maar,’ bromt Willem, zijn stem bijbuigend als hij plotseling de arm van Eefje in de zijne voelt glijden.
Met Dirk is het gezelschap compleet. Hij is met zijn 66 verreweg de jongste. Hij heeft maar een minpuntje, mopperde Betsie laatst, hij heeft weinig verstand, maar ze vond geen bijval.
Hij zegt nooit iets, dat is bekend. Iedereen praat tegen hem, niemand verwacht antwoord. Dirk is Dirk en daarmee uit.
Hij morrelt wat aan het slot. Dan kijkt hij zoekend van Neeltje naar Henk, zo kijkt hij ze een voor een eens goed aan. Resoluut stapt hij op Riek af en wijst op haar opgestoken haardos. Riek voelt aan de twee pennen waarmee zij haar knot bij elkaar houdt. Dirk knikt, ze trekt er behulpzaam een uit en reikt hem Dirk aan.
Dirk raakt wat opgewonden, er wellen geluidjes op uit zijn keel. Het gaat hem lukken, dat begrijpen ze allemaal, behalve Eefje maar Betsie geeft haar de rollator. ‘Mooi gaan zitten tot we verder lopen,’ zegt ze streng. Eefje knikt gehoorzaam. Uit de zak van haar vest haalt ze een pen en een papiertje en begint te schrijven.
‘Hebbie een dichie schrev’n?’ Neeltje leest. ‘Gossie,’ giechelt ze verrast, ‘moet’n jullie eens hor’n. Mag het Eefje?’
Betsie heeft haar goede humeur weel helemaal terug, ‘laat mij maar, dat accent van jou bederft het maar.’
Ze schraapt haar keel, maar voor ze kan beginnen, bromt Dirk iets en zwaait het hek open. Dirk wijst in de verte, ze volgen zijn hand en zien hem dan. Ze zien hem zijn kop draaien in de richting van het hek.
‘Een stier!’
Betsy trekt wit weg, het briefje van Eefje valt uit haar hand,. ‘Ik weet het weer, de stier is los vandaag. Dirk, vlug, maak het hek dicht.’
Er ontstaat een hoop tumult bij het hek. Tanneke knijpt van pure frustratie aan een stuk door in haar toeter.
‘Hou daar nu eens mee op!’
Dan klinkt plots de ijle stem van Eefje.
‘Kom dan, kom dan.’
Tot grote ontsteltenis van de rest is Eefje door het hek geglipt en staat op een paar meter afstand van de stier. Ze houdt haar rok op en daagt de stier uit.
Iedereen houdt de adem in.
De stier krabt met zijn voorpoot in het gras, zijn kop gaat omlaag.
Eefje springt, voor zover haar leeftijd dat nog toelaat, uitdagend op en neer.
‘Pak me dan als je kan, pak me dan…’
Ze giert van het lachen en is zich van geen gevaar bewust. Ze loopt langzaam naar de stier toe.
Haar stem daalt. ‘Lieve stier, lieve stier, kom eens hier.’
Dan steekt ze haar hand uit.
De stier beweegt zijn kop omhoog, kijkt naar de hand. Zijn poten vervaarlijk in het gras krabbend. Dan, tot ieders stomme verbazing, brult hij, draait zich om en rent schommelend weg.
‘Bangeschijter,’ joelt Eefje en begeeft zich naar het hek.
Met haar wijsvinger tikt ze Henk tegen de wang, dan stevent ze op Aart af.
‘Aart rijmt op taart.’
Wonderlijk stil keert de club bejaarden huiswaarts.
Kennelijk kijken ze nogal bedrukt, want de directrice van het bejaardenhuis komt ze tegemoet gewandeld en roept al vanuit de verte.
‘Jullie kijken alsof jullie je laatste oortje hebben versnoept. Is er iets gebeurd? Nee? Oh.’
Ze is niet het type dame dat doorvraagt. Ze bekijkt de gezichten eens en denkt er het hare van.
‘Appeltaart dan maar?’
‘Dit was de saaiste middag ooit,’ zegt Eefje, ‘er gebeurde helemaal niks,’ dan steekt ze haar arm in die van Bultje Bokkema.
‘Aart lust een hele appeltaart,’ lacht hij.
Als ze de hoofdingang van het bejaardenhuis hebben bereikt trekt er een golf van opluchting door het gezelschap.

Read Full Post »