Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘proza’

Mag ik ook aan die kassa gaan afrekenen, vraagt de vrouw die achter me in de rij staat.
Nee mevrouw, want dan gingen wij er ook wel staan.
Hm ja is ook zo. ik wil ook niet voorkruipen hoor.
Doe dat maar niet nee, dan kom ik in opstand.
Dan sla ik u met mijn schemerlamp.
Als u dat doet dan stop ik deze oorbel in uw neus.
We dikken onze speelse assertiviteit nog wat aan en merken dan lachend op dat het een schande is zo wij tegen elkaar bezig zijn.
En het is nog wel Valentijnsdag, zegt de vrouw.
Helemaal vergeten, ik sla mijn arm om haar heen en ze drukt haar wang tegen de mijne.
Dat is beter hè? lacht ze.
Veel beter.

Advertenties

Read Full Post »

Hij is 53 en heeft al 5 jaar een verhouding met een collega. Ze is nu 25. In die 5 jaar heeft hij ontelbare keren gelogen, thuis tegen zijn vrouw, op het werk tegen haar. Elke ochtend staat hij voor de spiegel, kijkt naar zichzelf, trekt zijn das recht en begint opnieuw. Hij houdt zich met Zen bezig. Opnieuw beginnen, daarin is hij goed. Elke ochtend is hij schoon en vrij van welke smet dan ook want elke dag, elke minuut zelfs, kan hij opnieuw beginnen. Deze ochtend gaat hij later naar kantoor, zijn kleinzoon is er en die brengt hij naar de crèche. Dit heeft hij zijn dochter, die een jaar jonger is dan zijn maîtresse, beloofd. Zijn vrouw slaapt uit. Hij staat in de slaapkamer voor de spiegel als zijn mobieltje begint te piepen. Er komt een berichtje binnen. Hij schrikt. ‘Wat is er?’ vraagt zijn vrouw. ‘’Niks, een berichtje van kantoor.’ Op de overloop opent hij het, het is van haar, het is geen leuk bericht. Ze is zwanger, leest hij. Het dringt in volle hevigheid tot hem door dat zijn leven nu flink aan het wankelen wordt gebracht. Al 5 jaar belooft hij dat hij zal scheiden, al 5 jaar zegt hij thuis dat er niets aan de hand is, ze hebben het goed samen. Toch? En nu dan is zijn geheime relatie zwanger. ‘Ik moet naar kantoor,’ zegt hij tegen zijn vrouw. Ze knikt begrijpend, ‘ik breng Freddy wel weg ga maar gauw,’ ze werpt hem een kushand toe en hij haast zich naar zijn auto.

Ze woont net iets buiten het centrum in een bescheiden koopappartement. Blij opent ze de deur. Een half uur later komt hij de deur weer uit.

Achter hem klinkt gerinkel van glas, hij hoort het en begrijpt het ook wel maar het is nu haar verantwoording, er is goed gesproken. Hij betaalt de abortus en ze gaan voortaan elk hun eigen weg. Dat is beter voor ons allebei, heeft hij gezegd en met zijn armen om haar heen benadrukt dat ze nog een hele toekomst voor zich heeft. Dat hij zijn gezin niet in de steek kan laten. Hij antwoordt nee, op haar vraag of hij dat niet eerder had kunnen bedenken, alles gebeurt op het juiste moment, dat is nu eenmaal zo.

Hij trekt zijn das recht, laat los en begint opnieuw. Zen, denkt hij, ik kan het iedereen aanraden.

Read Full Post »

‘De keinder uit un durp zen tog un stuk gemakkelukker dan stadse keinder,’ zegt een oude man tegen me, zijn ogen worden vochtig van ontroering bij de gedachte aan al dat lieve, dorpse spul. Hij haalt een zakdoek tevoorschijn en begint zijn neus rood te poetsen. Ik vraag me af waar hij de gedachte vandaan heeft. Net nog, vlak voor onze neus speelde zich een alleszins, wreed tafereeltje af. Een kleuterin trok krijsend een plukje haar uit het hoofd van haar broertje, dat kan hem toch niet ontgaan zijn. ‘Vruuger,’ mompelt hij en zwijgt dan. Peinzend poetst hij nog even voort tot zijn neus rood genoeg is, dan stopt hij zijn zakdoek weg en loopt verder. ‘U moet echt wat dichter bij uw rollator lopen,’ wil ik zeggen maar besluit om er ook het zwijgen toe te doen.
Als ik mijn ronde heb gedaan langs de kramen zie ik hem staan, hij roept naar een joch van een jaar of 10 dat hij zijn rollator terug moet brengen. ‘En wel sebiet!’ Het joch luistert niet.
‘Toch ook weer niet zo gemakkelijk, die kinderen uit een dorp,’ merk ik lachend op.
‘Dè is er ginne van ons,’ zegt hij. Zijn rode neus valt niet langer op omdat ook de rest van zijn gezicht nu rood is.

Read Full Post »

Soms word ik boos op je. Zomaar ineens, echt heel erg boos. Misschien zou ik je in het gezicht slaan als je dan opdook, zo boos. Het is vreemd, ik weet het, je bent dood. Al een paar jaar intussen en ik denk al een poos niet elke dag meer aan je. Als ik iemand zie die op je lijkt, iemand die lacht en praat, zijn arm om een vrouw slaat of een ons achterham bestelt bij de slager. Als ik iemand zie fietsen, of ergens op een bankje zie zitten zoals laatst in Frankrijk en zo door en door besef dat dit met jou niet meer gaat gebeuren, dat je al die kansen liet schieten, ja, dan word ik soms zo vreselijk nijdig.

Je bent de enige niet die zichzelf dood liet gaan. Dagelijks word je nog van het spoor gehaald, naar het ziekenhuis gebracht om je maag leeg te pompen. We springen je na in het water, reanimeren je, zetten je dag in dag uit voor het raam met een goed zicht op het leven. We doen zo ons best om je te helpen inzien dat het leven al kort genoeg is. Dat je vanzelf wel wordt opgehaald. Geniet toch, proberen we je aan het verstand te peuteren, kijk dan toch, probeer het.

Ik heb het recht niet om boos te zijn en misschien ben ik ook wel niet boos maar verwar ik het intense gevoel dat me zo nu en dan bekruipt met verdriet. Met machteloosheid. Ik kan soms niet naar dat beeld van mezelf kijken, die uitsloofster van toen. Je weet wel, zij! Ze bracht een bouwpakketje mee van een Rietveld stoel. Ze sleepte je mee naar kringloopwinkels, restaurantjes, de AA en deed je was toen je zover was dat je naar een ontwenningskliniek ging. Ze kocht van die stokken voor je, hoe heten ze ook alweer, stuurde puzzelboekjes (want dat was goed voor je geheugen) en maakte het grote H boek voor je.

Je ging met vakantie, schreef leuke brieven, verhalen, eigenzinnige – soms door bijvoorbeeld Coetzee of Kafka beïnvloede – gedichten, en zei lompe dingen tegen vrouwen waarvan je dacht dat ze wel met je zouden willen zoenen als je ze direct benaderde. Zal ik met je mee naar huis gaan, vroeg je eens tijdens een van je vakanties aan een vrouw waarmee je had zitten borrelen. Het werkte averechts natuurlijk en het leverde een lollig verhaaltje op. We bespraken literatuur en maakten ruzie over te verwaarlozen dingen en ik waarschuwde je toen het weer fout begon te gaan. Je luisterde niet maar zette me op een zijspoor.

 

Ja jongen, soms word ik zo pislink op je. Omdat je precies haar die je dondersgoed begreep probeerde te lozen. Ik weet wel dat je dat niet deed, dat je me ontliep omdat het gewoon te lastig was om mij te zien. Ik was te confronterend voor je. Immers, ik wilde dat je leefde en jij wilde dood. Facebook had daar onbedoeld – maar toch – een stevige hand in. Niet alleen ik legde het af hè tegen die vluchtige, begripvolle berichtjes van toch voornamelijk onbekende mensen. Zij wisten immers niet dat je mij vaak belde, overstuur, nerveus en in verwarring gebracht. Wisten je vrienden van facebook veel; dat het aanvankelijk best goed met je ging, dat ze niet altijd in konden schatten hoe het bij jou werkte, hoe je informatie steeds selectiever tot je begon te nemen en aandacht verwarde met daadwerkelijk investeren in de mens achter zijn toetsenbord.

Op de valreep heb je nog even spijt gehad en overwoog je om het nog een keer te proberen, eens te kijken of je het leven niet toch kon omarmen maar ja, toen was je lichaam al zo’n beetje daar hè.

Nou , heb ik dit niet mooi voor je samengevat? Sorry voor de punten waarop ik ernaast zit. Ik worstel hier ook maar wat weet je. Misschien is dat het wat zelfdoding doet met de nabestaanden. Ze begrijpen het en ze begrijpen het niet. Accepteren is dan wat rest en leegte die je heel lang met de beste wil van de wereld niet meer krijgt gevuld. Dat gemis, aan lachjes, telefoontjes, cadeautjes en kansen.

Maar liefde en vriendschap blijven, maak je daar geen zorgen over. Groetjes aan de andere wolkeigenaren.

Read Full Post »

Message from heaven ?

‘Suzanneke, Suzan, Suus!’
Ik zit op mijn hurken bij een kist vol oud speelgoed, de roepende mannenstem komt dichterbij.
’Hé Suzanneke.’
Bijna smekend klinkt de stem nu, nieuwsgierig geworden kom ik overeind en draai me om.
‘Hè, hè,’ zegt de man die bij de stem blijkt te horen, ‘ik dacht al, zou ze nou doof geworden zijn.’
Hij is een jaar of zeventig, niet zo heel veel groter dan ik, wat aan de stevige kant, vooral zijn buik. Grijs en kalend, een beetje slappe, hangende wangen, grijze ogen die me vriendelijk aankijken.
Ik wil zeggen dat hij zich vergist en dat mijn naam Jeanine is maar ik krijg de kans niet.
‘Sodeju,’ zegt hij, ‘wat zie je er goed uit vergeleken met 10 jaar geleden. Je moet nu toch wel tegen de 60 lopen.’
‘Dat klopt’, zeg ik en hoe gevleid ik me ook voel, ik waag een nieuwe poging om hem zijn vergissing te doen inzien. Opnieuw is hij me voor.
‘Net iets voor jou, terwijl iedereen ouder wordt lijk jij jonger te worden,’ hij lacht. Ik moet er ook om lachen, het is inderdaad net iets voor mij, zelfs waar het de natuurwet van het ouder worden betreft lijk ik uit de pas te lopen. ‘Ik word echt wel ouder hoor,’ relativeer ik zijn opmerking en vang een volgende poging aan om hem te vertellen dat ik Suzanneke niet ben.
Weer is hij me voor, ‘kijk eens wat ik hier heb,’ hij opent zijn hand.
‘Wauw!’ zeg ik, ‘die is mooi.’ Er ligt een schitterende broche in zijn hand te flonkeren. Ik vergeet de persoonsverwisseling op slag en vraag of ik hem even beter mag bekijken. Het oude bootje dat ik uit de kist met speelgoed viste leg ik even neer.
‘Ik denk dat het goud is,’ fluistert hij me in het oor. Ik knik, ‘dat denk ik ook.’
‘Die had jij wel willen vinden hè?’
‘Nou en of,’ geef ik grif toe, ‘vijfenveertig eurocent voor zo’n prachtige broche. Hij is antiek!’
‘Ik ga nu een kop koffie drinken en dan maar eens naar huis,’ zegt de man.
‘Doe dat,’ ik voel me een beetje mal met dat Fisher Price bootje in mijn hand. Ik zie hem er naar kijken.
‘Ik ga het maar eens afrekenen. Veel plezier met de broche.’
Eenmaal op de parkeerplaats hoor ik hem opnieuw Suzanneke roepen. Gewend nu aan die naam draai ik me meteen om. Hij haast zich naar me toe.
‘Geef me je hand eens?’
Ik steek mijn hand uit en tot mijn verbazing legt hij er de broche in. Ik begin te blozen van verlegenheid en mijn begerigheid is duidelijk even in strijd met mijn integriteit. Ik MOET hem nu wel zeggen dat ik Suzanneke niet ben. Ik schraap mijn keel, geef hem de broche terug. ‘Ik vind hem supermooi, echt! En ik vind het ook heel lief van je maar ik bén Suzanneke niet.’
De man doet een stap naar achteren en neemt me aandachtig op.
‘Dat weet ik toch ook wel, mijn Suzanneke is al tien jaar dood. Ze werd nooit goed begrepen dat Suzanneke van me,’ mijmert hij, ‘het is haar fataal geworden.’ Even zweven zijn gedachten naar een andere periode, dan pakt hij vastberaden mijn hand beet en drukt er de broche in. ‘Goed onthouden. Wat anderen ook zeggen, welk gevoel ze je ook proberen te geven, dit is wat jij waard bent. Goud!’

Read Full Post »

Diefje

Daar zat je dan. Een hand losjes in je zak, de andere hand gelijk een reiziger, die twijfelt tussen de tram of de trein, heen en weer bewegend tussen twee opties. Je keek er naar alsof je ermee in gesprek was, alsof je hem een opdracht toefluisterde. Ga liggen hand, veeg die lok van mijn voorhoofd, knip met je vingers, zoek een uitgang voor me, zodat ik dit moment kan verlaten.

Wit haar had je, tot je een jaar of drie was, daarna werd het langzaam donkerder. Nee, hoorde ik mijn moeder, je oma, eens boos tegen een kennis zeggen, hij heeft geen rode oogjes, het is geen alpini. Albino bedoelde ze. Nee, je had geen rode ogen, stralend blauw, dat waren ze. Wel was je huid erg licht, je wenkbrauwen vielen soms nauwelijks op, ergens was je best een nietszeggend type, niet bijzonder knap of zo, maar zodra je die blauwe kijkers naar iemand opsloeg dan was die iemand verkocht. Ach gut wat een engeltje, wat een scheet, dotje, heerlijk ventje.
Weet je nog dat je die winkel uitreed op dat plastic paard op wielen? Vijf was je geloof ik, misschien zes, het beest zakte helemaal door, je was er te groot voor. Dat stralende lachje van je. Je was al halverwege de parkeerplaats eer de winkeljuffrouw je had ingehaald. Dat mag niet zomaar, hoorde ik haar zeggen, dit paard is van de winkel, je moet het eerst betalen. Heb je wel centjes? Je schudde je donker wordende lokken en sloeg die kijkers naar haar op. Ze smolt. Je zag het gewoon gebeuren. Ze aaide je over je bol en nam het paard van je over. Thuis diepte je een jojo op uit je zak, vanuit je ooghoeken sloeg je me gade. Aan je schouders zag ik dat je wachtte tot ik de onvermijdelijk vraag zou stellen; hoe kom jij aan die jojo?
Er kwam altijd wel iets uit je zakken tevoorschijn, een pen, een paar bonbons, een theelepeltje, opa’s zakhorloge. Laat het hem maar houden, zei opa, op een dag is het toch van hem. Rotjong.
Op je kamer had je een kistje waar we nooit in mochten kijken, ik deed het toch. De ring van je zus, mijn oorbel. Heb je je zusje soms iets te zeggen? vroeg ik je nog diezelfde dag. Nee, zei je, in je ogen zag ik opmerkzaamheid. De volgende dag was het kistje weg. Ik heb gezocht maar kon het nergens vinden.
Op een dag waren we bij die kleine winkel een paar straten verderop. De man, een weduwnaar, verkocht aan huis wat kantoorartikelen, naaigerei en klein spul voor in en om huis, koffiebekers, glazen. Ineens was je weg. We vonden je terug in de keuken, privéterrein van de man. Je had de tv aangezet, limonade ingeschonken en daar zat je. Je was toen al minstens elf. Kijk daar nou zitten, zei de man en lachend ging hij er bij zitten, hij bood je zelfs een koek aan, zo’n gevulde met een amandel in het midden.
Een dief, dat was je, een kleine gladjanus die iedereen voor zich innam.
Ineens was er die dag dat je vertelde dat je ging trouwen. Je vader had al vernomen dat je wederom iets gestolen had, dit keer iets heel anders. Iets veel ergers. Onvergeeflijk vond mijn zus, nadat ze me te verstaan had gegeven hoe ze over je dacht nu je de vriendin van haar zoon, jouw neef, had ingepikt. Ik zie de jongen nog staan. Zijn bleke gezicht, die droevige kijkers, hij bracht een cd terug en twee boeken die hij van je geleend had. Ik heb de boeken niet gelezen, zei hij, en mocht ik ze willen gaan lezen dan koop ik ze zelf wel. Hij wilde niets meer van je. Dat begreep ik best. Het was bijzonder pijnlijk om jou met het liefje van een ander te zien, onze neef, zoon van je tante. Ze was mooi. Van haar kinderen word ik de grootmoeder, dat fantaseerde ik en ik verwierp die gedachte onmiddellijk omdat mijn afschuw dat je de ongeschreven wet, van afblijven van andermans liefde, was overschreden. Ik haatte je en mijn zus haatte mij, alsof ik het je in je genen had meegegeven, dat je op een dag haar zoon pijn zou doen. Zo leefden we een tijdlang voort, ieder voor zich, opgesloten in een eigen kleine cirkel van haat en wrok. Tot je op een dag, ik had je al minstens een jaar niet gezien, bij me kwam, je hand op mijn mouw legde en je ogen naar me opsloeg zoals iedereen je geleerd had dat het zou werken. Ik keek van je weg en zuchtte. Ze heeft kanker mam, terminaal, niks meer aan te doen. Ze gaat dood. Ik zweeg, begon te neuriëen, godallemachtig, ik neuriede, een kinderliedje. Ik zong het altijd voor je toen je klein was zoals ook mijn moeder het voor me zong toen ik klein was. Hoe zacht glijdt ons biebaboebootje op het biebaboe miemamoemeer.. Hou op mam! Je verhief je stem, begon op en neer te lopen. Ze gaat dood, hoor je dat mam! Dood, dood, dood!
De deurbel ging en Arno, je neef en vijand stond aan de deur. Hij sloeg zijn armen om je heen en samen huilden jullie. Als twee vrienden en ik neuriede gewoon door. Ik was bevroren, in trance, ach, hoe noem je het soort verstarring waarin een mens kan glijden als de juiste antwoorden en reacties verdwalen in een vreemde grijze massa die eerder nog je brein was.
Ik wist helemaal niet dat jij en Arno het allang hadden bijgelegd.
Je vader, Ik weet niet wat hij gezegd zou hebben. Nu en dan zie ik hem denken, soms hoor ik hem zelfs iets zinnigs zeggen, maar hij vertelt verhalen, enkel verhalen. Je hebt zijn ogen niet maar wel die manier van kijken. Witkopje, zo noemde hij je. Hij bracht je graag naar bed. ‘Strijk jij mijn overhemden maar, ik breng witkopje naar bed.’ Hij las je voor uit een onzichtbaar boek. Hij had het verstopt in zijn dromen, vertelde hij. maar voor jongetjes met wit haar kwam het tevoorschijn en op een dag zou ook jij het boek voelen. Je droeg het in je net als iedereen, alleen vindt niet iedereen het. Dat zei hij en hij lachte erbij alsof het waar was, soms verontschuldigend knipogend naar mij. Ik geloofde ook in dat boek. Hij werd niet goed terwijl hij er uit voorlas. Ik hoorde je roepen en reageerde eerst niet omdat ik dacht dat jullie in een spel waren verwikkeld, maar dat boek in me, het sprong op, sloeg dicht, of juist open op een pagina die ik liever niet las en ging kijken. Hij lag over je heen. Een beroerte. Hij is nooit meer de oude geworden, zijn boek was verdwenen. Wie witkopje was? Hij wist het niet, hij keek altijd naar je met verbazing, een verbazing die nooit meer is weggegaan. De verrassing van het onverhoeds getroffen worden, voor eeuwig in zijn ogen, dat is het. Het heeft nooit meer willen wijken.

En daar zat je dan. Iedereen was al weg. Je geliefde, je ging haar as zo snel mogelijk uitstrooien zei je. Je had een geweldige plek gevonden, een waar je heen kon gaan om in de stofdeeltjes om je heen haar huid te zien glanzen. Haar stem te horen in het wuiven van de takken, haar haren aan te kunnen raken door gewoon je hand uit te steken en in contact te komen met de ijle lucht van afwezigheid in de meest geliefde vorm, afwezig maar des te aanweziger in al dat andere.

Nu kom ik bloemen leggen, ook al staat er geen kruis, is er geen steen. Samen met haar ben je verwaaid. Uitgestrooid. Daar gaat witkopje, zei je vader en huilde. Dikke ronde tranen biggelden over zijn ingevallen wangen, de verbazing in zijn ogen was voor even geweken. Vreemd om vast te moeten stellen dat verbazing het wel aflegt tegen intens verdriet, maar nooit heeft willen wijken voor niet aflatende liefde.
Ik leg niet enkel bloemen, ik kom je ook vertellen dat ze morgen op visite komt, je dochter. Ik begrijp nu waarom je nooit verteld hebt dat je vader werd, ook begrijp ik dat je me niet verteld hebt dat het een meisje was, dat je grote liefde stierf maar er een andere grote liefde voor in de plaats kwam. Morgen komt ze, ze heeft wit haar, zeggen je schoonouders, haar opa en oma. Het spijt me zo jongen dat ik iemand anders van je heb willen maken dan je was. Maar weet dat je mijn hart stal! Ik hoef het niet terug te hebben, een stukje ervan slechts, zodat ik kan gaan houden van wat je achterliet.
Dag jongen. Dag bandiet.

Read Full Post »