Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘anekdote’

Mag ik ook aan die kassa gaan afrekenen, vraagt de vrouw die achter me in de rij staat.
Nee mevrouw, want dan gingen wij er ook wel staan.
Hm ja is ook zo. ik wil ook niet voorkruipen hoor.
Doe dat maar niet nee, dan kom ik in opstand.
Dan sla ik u met mijn schemerlamp.
Als u dat doet dan stop ik deze oorbel in uw neus.
We dikken onze speelse assertiviteit nog wat aan en merken dan lachend op dat het een schande is zo wij tegen elkaar bezig zijn.
En het is nog wel Valentijnsdag, zegt de vrouw.
Helemaal vergeten, ik sla mijn arm om haar heen en ze drukt haar wang tegen de mijne.
Dat is beter hè? lacht ze.
Veel beter.

Advertenties

Read Full Post »

‘De keinder uit un durp zen tog un stuk gemakkelukker dan stadse keinder,’ zegt een oude man tegen me, zijn ogen worden vochtig van ontroering bij de gedachte aan al dat lieve, dorpse spul. Hij haalt een zakdoek tevoorschijn en begint zijn neus rood te poetsen. Ik vraag me af waar hij de gedachte vandaan heeft. Net nog, vlak voor onze neus speelde zich een alleszins, wreed tafereeltje af. Een kleuterin trok krijsend een plukje haar uit het hoofd van haar broertje, dat kan hem toch niet ontgaan zijn. ‘Vruuger,’ mompelt hij en zwijgt dan. Peinzend poetst hij nog even voort tot zijn neus rood genoeg is, dan stopt hij zijn zakdoek weg en loopt verder. ‘U moet echt wat dichter bij uw rollator lopen,’ wil ik zeggen maar besluit om er ook het zwijgen toe te doen.
Als ik mijn ronde heb gedaan langs de kramen zie ik hem staan, hij roept naar een joch van een jaar of 10 dat hij zijn rollator terug moet brengen. ‘En wel sebiet!’ Het joch luistert niet.
‘Toch ook weer niet zo gemakkelijk, die kinderen uit een dorp,’ merk ik lachend op.
‘Dè is er ginne van ons,’ zegt hij. Zijn rode neus valt niet langer op omdat ook de rest van zijn gezicht nu rood is.

Read Full Post »

Het is november 1985, mijn eerste bundel, Onzichtbare tastbaarheid, is pas verschenen en ik heb meteen na het verschijnen 10 exemplaren naar boekhandel Adr. Heinen in Den Bosch gebracht. Na een paar weken zie ik dat ze op zijn en besluit om 10 nieuwe bundels te brengen en de andere tien af te rekenen. Het is niet mijn hobby. Om heel eerlijk te zijn durf ik de winkel nauwelijks in sinds die bundel er ligt. Angst dat hij niet verkocht wordt, angst dat hij wel verkocht wordt en dat ik dan iets zal moeten ondernemen en gewone verlegenheid weerhouden me. Ik spreek mezelf moed in en stap op Adriaan Heinen af. Een, in mijn ogen, knappe erudiete man en bovendien eigenaar van de winkel. Een man met aanzien. Ik vertel wat ik kom doen, hij glimlacht en vraagt wat ik van hem krijg. 150 Gulden, antwoord ik triomfantelijk. Oh ja, zegt hij, zijn ogen beginnen te twinkelen, en wat krijg ik? Ik voel mijn wangen rood worden en stamel dat hij niks krijgt omdat daar niets over is afgesproken. Hij loopt naar de kassa en geeft me 150 gulden. Dan neemt hij de 10 nieuwe bundels in ontvangst. Zullen we over deze bundels maar wel iets afspreken? stelt hij lachend voor, boekhandels moeten ook leven weet je.
Het duurt een hele poos eer ik de winkel weer in durf.

Read Full Post »

‘Het zijn dolfijnen mevrouw,’ antwoord ik geduldig als een oude dame me voor de derde keer vraagt wat het voor vissen zijn, ze toont me het beeldje nog eens. Ook bij de kassa hoor ik ze antwoorden dat het dolfijnen zijn en even later klinkt de zware bas van een oudere heer, ‘dolfijnen vrouwke.’

Het ‘vrouwke’ stapt dapper op me af, laat het beeldje weer zien en vraagt dan of het misschien toch een anders soort vis is. ‘Zo een die op een dolfijn lijkt, mijn kleinzoon verzamelt ze, hoe heten ze ook alweer?’ ‘Orka,’ probeer ik, ‘zaagvis?’. Ze schudt het hoofd, ‘nee, ze heten anders.’

Als ik mijn aankoop in mijn tas laat glijden en me naar de uitgang begeef klampt ze me opnieuw aan. Ze stelt dezelfde vraag maar krijgt nu een verrassend antwoord. ‘Het is vooral een heel lelijk beeldje,’ zegt de oudere heer van daarnet met een brede glimlach en schuift zijn arm in de hare. Ze kijkt voor een moment heel verbaasd en schiet dan in de lach, ‘dat is waar, mooi is anders.’

 

ze zoekt in haar tas
– de sleutels, het horloge –
wat grip op de dag

 

Haiku uit: Sierlijk vallen

 

Read Full Post »

Nauwelijks ben ik de weg opgelopen die me naar de brug zal voeren of ik zie haar al. Ik overweeg een vluchtroute maar de weg ligt lang en strak voor me, zo ook die van haar. We gaan elkaar passeren, er zit niets anders op. Ik berust. Bovendien, zo houd ik mezelf voor, zal ons gesprek snel en kort zijn. Ze roddelt graag, heel erg graag zelfs. Als ze niet roddelt klaagt ze over haar schouder die nog steeds pijn doet, over de dokter die iets fout deed en waardoor ze weken fouten medicijnen heeft geslikt. Ze roddelt over mij ook, daar twijfel ik geen seconde aan. Ze roddelt ook nog eens vanaf een sokkel. Hoog boven mij verheven laat ze me weten dat die en die van zijn vrouw wegliep, hoe terecht het was, want zij …. die stem van haar. Meewarig kijkt ze op me neer. Hoorde jij nog iets over …? Nee, zal wel niet, vult ze zelf alvast in. Heb je die auto van mijn overburen gezien, waar doen ze het van en dan dat kreng, wat …

Dan schrik ik op uit mijn gepeins. Oei, nu heb ik haar al die tijd gesproken terwijl ze me nog moet aanklampen voor dit alles. Tjonge, ik ben er helemaal door vergeten om rond te kijken. Ah, daar komt ze aan, ik recht mijn rug, klaar om mijn ingestudeerde volzin op haar af te vuren; ik heb geen tijd, dag.

Ze loopt me haastig voorbij. Ik heb geen tijd voor je, zegt ze, sorry, ik weet dat je graag met me babbelt, en weg is ze.

Huh!?

En maar door sappelen met die innerlijke assertiviteitstraining.

.

ik ben geen esdoorn

esdoorns steken hun neusjes

in alle tuinen

Read Full Post »

Onlangs heb ik mezelf betrapt op arrogantie. Alhoewel, was het eigenlijk wel arrogantie?
Bij het winkelcentrum zag ik Tino met de daklozenkrant. Ik ken Tino omdat ik jaren geleden als coördinator bij de krant gewerkt heb. Tino zat in een scootmobiel, dat was nieuw voor me. Ik liep naar hem toe, gaf hem een hand en informeerde naar zijn welzijn. Hij herkende me onmiddellijk en vertelde wat hem de afgelopen jaren zoal was overkomen. Een hartinfarct, een stoma die door omstandigheden verplaatst moest worden en een verlamming in zijn linkerzij. Dat was nogal wat.
‘Hoe vind je de nieuwe krant?’ vroeg hij.
Ik pakte een van zijn kranten en bekeek hem aandachtig. ‘De vormgeving is er op vooruit gegaan,’ merkte ik op.
De krant kocht ik niet. Waarom kocht ik die krant niet? Was het omdat ik diep in mijn hart nog niet los was van de manier waarop ik afscheid had moeten nemen van mijn baan? Dat kon ik hem toch niet verwijten!?
‘Ik ga even boodschappen doen, ik ben zo terug,’ zei ik.
Ik hoefde enkel een doos te halen om een pakje in te verzenden en postzegels, al snel stond ik dus weer bij hem en keuvelden we wat over koetjes en kalfjes.
“Hee, en je boodschappen dan?” vroeg hij nog en ik vertelde dat ik enkel postzegels had hoeven halen en een lege doos. Zijn reactie beperkte zich tot een kort, vaststellend, o.

Nu en dan gooide er iemand geld in een bakje dat aan zijn scootmobiel hing.
Dank u wel,” reageerde hij steevast vriendelijk. Ook tijdens ons kortstondige babbeltje bleven zijn ogen de winkelende mensen, en dus de potentiële kopers van de krant, volgen.
Op de een of andere manier zat mijn gevoel me in de weg en kon ik het niet opbrengen om de krant te kopen. Zomaar geld geven, dat wist Tino nog wel van me, dat deed ik niet, in elk geval niet snel. Dat kon ik me als coördinator niet veroorloven en die coördinator zat nog steeds in me.
Gewoon als een kennis, als gelijke met hem praten, dat was wat ik hem wilde geven.
Precies op het moment dat ik me dit bedacht was het gesprek niet meer hetzelfde.
Ik voelde een lichte gêne op komen en haastig ineens beëindigde ik ons gesprek, groette hem en nam de benen.

Arrogant om te denken dat je zo belangrijk bent dat je gezelschap opweegt tegen de voldoening die je hem had kunnen geven door een krant te kopen, dacht ik en ik schaamde me. Toch moest ik ook aan een eerder voorval denken met een andere verkoper van de daklozenkrant. Hij zat altijd met zijn gitaar op het Kerkplein in Den Bosch en op een dag legde ik een bloem in zijn gitaarkoffer, ‘voor je muziek.’ Dat deed ik toen met dezelfde intentie als dat ik het gesprek met Tino bedoeld had. Erik keek verrast op van zijn gitaarspel. ‘Je geeft me een bloem in plaats van geld,’ zei hij verbaasd, ‘nog nooit heeft iemand mij een bloem gegeven voor mijn muziek. Ik vind dit het mooiste gebaar ooit. Nu voel ik me gewoon een mens.’  Zijn ogen werden vochtig en ik moest me snel uit de voeten maken om te voorkomen dat hij zou zien dat ook mijn ogen zich vulden met tranen. Twee kwetsbare mensen.

De ene keer wordt de intentie begrepen, een andere keer wordt hij verkeerd uitgelegd, soms door jezelf. Het gaat dan ook om de zuiverheid van de intentie .
Dus toch geen arrogantie, sprak ik mezelf toe. Zuiverheid heeft ook een zekere zelfbewustheid nodig en de grens tussen arrogantie en een zelfbewuste intentie is kennelijk nogal dun.

Read Full Post »

De winkelbel rinkelde en een oudere heer trad vanuit het duister op ons af.
‘Mogen we even rondkijken?’
‘Natuurlijk mevrouw, zoekt u iets speciaals?’
‘Oude poppen, maar ik kijk ook gewoon graag rond.’
‘Ah, oude poppen. Wildebras, Schildpad?’
‘Ook, maar liever nog Simon & Halbig, Armand Marseille, Heubach.’ Ik noemde nog meer merken en voegde er aan toe dat ik ook wel spulletjes kocht waar ik een klik mee had of die me nieuwsgierig maakten, dat ik het voorwerp thuis dan opzocht en zo al heel wat wijzer was geworden.
De man raakte opgetogen, we deelden onze kennis over antieke poppen bleek al snel.
‘Mevrouw heeft er verstand van? Waar komt u vandaan?’
‘Rosmalen. Bij Den Bosch.’
‘Aha, Brabant dus. Als ik het niet dacht.’
De man, een en al charme, drentelde wat op en neer. Hij wees me op een zilveren lodereindoosje, een bronzen sculptuur van Demetre Haralamb Chiparus en boog zich ineens naar me toe. De vraag die hij op me afvuurde overviel me.
‘Wat krijg ik van u als ik wat mooie poppen voor u vind?’
‘Dat hangt van de poppen af,’ reageerde ik, net iets te snel.
Hij lachte. ‘ Brabant dus.’
Mijn metgezel was intussen uitgesnuffeld en komen melden dat hij naar buiten ging.
‘Thee of koffie?’ vroeg de man, waarvan ik al te weten was gekomen dat hij Frederik heette. Ik knikte en volgde hem de trap op naar een prachtige oude keuken. ‘Nog helemaal authentiek,’ vertelde Frederik niet zonder trots en met een onmiskenbare vleug van heimwee in zijn blik.
‘U komt dus uit Brabant,’ herhaalde hij, alsof Brabant iets bij hem opriep. Het was me al opgevallen, maar nu viel het me extra op dat hij nogal beefde, Parkinson, dacht ik. Al pratende over allerlei onderwerpen was het me duidelijk aan het worden dat ik niet bij zomaar een handelaar op bezoek was. Al traceerde ik wel wat vergane glorie, ik was toch tamelijk onder de indruk.
‘U heeft misschien wat oude poppen voor me?’ bracht ik ons gesprek terug op het onderwerp waardoor ik hier in deze prachtige keuken terecht was gekomen.
‘Wat dacht u er van om te beginnen met een kusje?’
Ai! Dit gaat de verkeerde kant op, schoot het door me heen. ‘Ik ben niet zo kusserig.’
Frederik gaf geen krimp.
‘Mag ik u ook op een andere manier plezieren?’
‘Hmm, een kusje van een schone dame als u…hmmm. Hoe denkt u mij op een andere manier te plezieren?’
‘Ik kan een gedicht voordragen.’
‘Een gedicht!? Van wie? Uit uw hoofd?’
Aha, Frederik was min of meer perplex.
‘Een gedicht van mezelf en ja, ik ken het uit mijn hoofd.’
Zijn nieuwsgierigheid was gewekt, ‘een vrouwtje uit Brabant biedt me aan een door haar zelf geschreven gedicht voor te dragen. Dit is nieuw voor me en geloof me, ik ben al op heel wat plekken geweest en heb al heel wat mensen ontmoet.’
Ik geloofde hem en grinnikte bij de gedachte dat hij mij nog niet op zijn pad had gehad. Om het gedicht goed voor te kunnen dragen ging ik staan en zocht er een uit waarvan ik dacht dat het hem zou kunnen bekoren. Toen ik klaar was en weer ging zitten zat hij een tijdje stil tegenover me. ‘Zozo en dat heeft u geschreven. Heeft u gepubliceerd?’
‘Jazeker.’
Hij stond op en nodigde me uit hem te volgen. We gingen opnieuw een trap op en kwamen uit op een zolderkamer, hij baande zich een weg tussen een stapel dozen en pakte een vuilniszak die hij voor me neer zette. ‘Kijk hier maar eens in. Het zijn poppen, gemaakt naar filmsterren, door een poppenmaker uit Luik, plus nog wat celluloid poppen met een klein gebrek, maar ondanks die gebreken een erg leuke partij.’ Ik vroeg hem naar de prijs en hij glimlachte eens wat voor zich heen. ‘Dat was een mooi gedichtje,’ hij noemde een heel zacht prijsje en bood me zijn wang aan, ‘maar misschien kan er ook nog een kusje af.’

Klik voor gedichten op poëzie bij categorieën of op haiku, klik voor haibun op proza

Read Full Post »

Older Posts »