Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Proza’ Category

Read Full Post »

Meestal wandel ik gewoon door de wijk. Saai, zal je misschien denken maar dat valt best mee. Ik luister naar de vogels, zie hommels, bijen en vlinders, er passeert eens een fietser en soms kom ik een bekende tegen en dan praten we wat. Ik kijk ook altijd naar de tuinen. De ene tuin is goed onderhouden, weer een andere tuin is volgestort met grind. Er zijn onverzorgde tuinen en schitterende tuinen bomvol bloeiende bloemen, waarvoor ik aan zou willen bellen om naar de naam te vragen en eventueel een zaadje, of stekje.

Pas nog was er een oude dame bezig in haar voortuin. Ze had wat dorre takken van een struik geknipt. Ze schoof snel de mouwen van haar vestje naar beneden toen ze me zag maar ik had haar armen al gezien. Ze leken op de takken. Haar ogen daarentegen keken me helder aan, er stonden zelfs pretlichtjes in omdat ze gemerkt had dat ik haar min of meer betrapt had.

Terwijl ze boog om de takken bij elkaar te rapen zei ze; voor je het weet ben je dor hout en dan willen ze je wegknippen, precies zo ik de takken wegknipte. De kunst is het dorre verborgen te houden of om het om te buigen naar iets anders.

Ze hield me de takken voor. Kijk, die zet ik dadelijk tussen wat bloemen in een vaas. Jong en oud, bloeiend en voorbij, het gaat zo mooi samen. Vind je ook niet?

.

in de plantenbak
tussen het jonge groen
iets wat eens bloeide

Read Full Post »

We zijn acht jaar en meestal gaan we met z’n drieën paardrijden. Els, Marijke en ik. Ik rijd altijd op Fury. Els en Marijke kibbelen. Ze willen allebei het liefste op Flikka rijden maar een van hen zal genoegen met White Bless moeten nemen. Dat Fury mijn paard is staat buiten kijf. Het is een vurig paard en de ruiter is net zo vurig. We weten het alle drie, ik ben de aanvoerder.
Soms krijgen Els en Marijke ruzie en dan stapt een van hen boos op. Het vaakst is dat Els, een enkele keer is het Marijke. Ik bemoei me er niet mee omdat ik weet dat ze het altijd weer bijleggen. Ze liggen elkaar gewoon niet zo goed.
Ik vind wel dat de sfeer anders is als een van hen er niet bij is maar er over nadenken waarom dat is komt er nooit van. We rijden paard, galopperen tegen de dijk op en er overheen, werpen onze lasso’s en vangen boeven. We zijn niet uit op onderlinge strijd.
We zijn, ondanks de sporadische strubbelingen een hecht drietal.
.
Op een dag echter verandert er iets nogal drastisch.
Marijke en ik staan klaar bij onze paarden. Marijke heeft, gevaarlijk optimistisch, Flikka alvast gezadeld. We houden onze paarden keurig bij de teugel en wachten, Al meteen als Els er aan komt gerend zien we dat er iets speciaals moet zijn gebeurd. Ze heeft vuurrode wangen en popelt om ons iets te vertellen. We hebben vanmorgen jonge katjes gekregen, roept ze uitgelaten. We vergeten onze paarden terstond en vragen enthousiast of we mogen gaan kijken. Even is het stil, ze kijkt ons aan met een strijdbaar, opgewonden gezicht. Dat kan niet, zegt ze triomfantelijk, ik heb ze verdronken in een emmer.
.
het kevertje
op de rug van haar hand
doodslaan, vraagt ze
.
Ik gebruikte niet de echte namen!

Read Full Post »

“Bestaat er fout vuur?”

Niet precies in die woorden, meer is het haar houding die de vraag lijkt te stellen. Het duurt even eer zij zich uit haar stoel heeft gehesen. Ze kijkt me doordringend aan, resoluut haar rollator voor zich uit duwend. “Ik moet nodig.”

Ik zit als vastgenageld aan mijn stoel en kijk naar haar. In plaats van haar mijn hulp aan te bieden vraag ik me af of het woord rollator in een gedicht zal passen.

Ik denk van wel, maar niet met haar er achter. Niet in een gedicht over mijn moeder. Bestaat er fout vuur?

Terug in de werkelijkheid. “Kijk uit mam!”

“Als ik val dan komt het van die boot,” luidt haar reactie. Ze zit nu op het toilet.

Ik sta op veilige afstand in de deuropening.

“Boot?”

“Hoe heb je me gevonden?”

“Ik heb niet hoeven zoeken.”

“Dat vind ik knap van je, je wist immers niet dat we gingen varen”

Ik schipper tussen vertellen waar we zijn en doen alsof het waar is. Dat het waar is dat we op een schip zitten.

“Er is hier een oud echtpaar en dat houdt nog erg veel van elkaar.”

Ik kijk toe hoe ze haar kleding recht trekt.

“Misschien waarderen oude mensen liefde meer,” ik zeg het aarzelend.

Ze zwijgt.

Ineens wijst ze.

“Ze moeten daar gezeten hebben waarvan niemand wist dat het een plekje was.”

Dan zucht ze en glimlacht naar de verpleegkundige die is binnengekomen om haar medicijnen te brengen.

Als het meisje weer weg is kijkt ze me aan met dat speciale blikje haar eigen. “Het was een mooie reis, alleen jammer.”

“Jammer?”

“Nou ja, dat die boot niet echt was.”

Ze lacht wat voor zich heen en stelt dan knikkend vast.

“Ja. Er bestaat fout vuur”.

 

.

 

het groene eiland

rechts van het raam

haar sta-op-stoel

Read Full Post »

Een lezing, waar ik een jaar geleden ben geweest, ging over bewustwording van eerdere levens en de eventuele invloed op je leven nu
Dit in het kort gezegd.
Ik heb lang niet alles onthouden van wat er zoal gezegd werd maar ik vond het een boeiende lezing. Wat er gebeurt als je sterft kwam aan bod. Het overgaan naar een andere wereld. Hoe je leven als het ware wordt opgeslagen in een enorm archief.
Dat we allemaal een persoonlijke engel hebben, of een gids, net zo je het noemen wilt. Over dromen werd gesproken en over het werken aan je spirituele ontwikkeling.
Het klinkt voor veel mensen waarschijnlijk nogal zweverig.
Ik ging jaren geleden regelmatig naar dergelijke bijeenkomsten.
Ook bijv. naar lezingen over de Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner. We hebben toen zelfs een werkgroep opgericht. Wat ik gebruiken kan pas ik toe, waar ik niets mee kan of wat me te ver gaat, leg ik – voorlopig dan toch – naast me neer.
Na de pauze konden er vragen gesteld worden, Ik heb er geen gesteld en de vragen die wel gesteld werden vond ik niet zo boeiend..
Na deze lezing heb ben ik niet meer naar een dergelijke lezing gegaan maar dat ik spiritueel ben ingesteld hoeft geen geheim te zijn.
Je verstand erbij houden kan nooit kwaad en niemand heeft de volledige wijsheid in pacht denk ik.
.
maar bij wie dan
klop ik de kruimels
van de schoot

Read Full Post »

Er is een man die mij leuk vindt, dat ontgaat me echt niet en eerlijk gezegd vind ik hem ook leuk. Hij is jonger dan ik, minstens 7 jaar, denk ik, en hij heeft iets onhandigs. Ik leerde hem kennen toen ik eens een juwelierszaak binnenstapte met een goudkleurig klompje dat ik op een rommelmarkt had gekocht. Ik dacht dat het goud zou kunnen zijn, trok de stoute schoenen aan en ging naar binnen. Het bleek zijn zaak te zijn. Enigszins verlegen legde ik het klompje op de toonbank en vroeg of hij het eens voor me wilde bekijken. Aan zijn gezicht zag ik meteen dat hij het klompje grappig vond. Hij pakte het op, bekeek het aandachtig en woog het in zijn hand zowel als op een weegschaaltje.

.

 

even op zoek

in het winkelstraatje

van zijn gedachten

.

 

Het is geen goud, stelde hij vast. Spijtig dat het geen goud was natuurlijk maar ach. Een paar weken later stapte ik opnieuw zijn zaak binnen. Dit keer met een gouden ketting waarvan ik de keuren niet herkende. Opnieuw ging er een gezellige aantrekkingskracht van hem uit en voelde ik dezelfde plezierige spanning, die ik ook de vorige keer gevoeld had. Sinds dat tweede bezoek kennen we elkaar een beetje. Ik ga af en toe met een, mogelijk, gouden sieraad naar hem toe en kom hem met enige regelmaat tegen in de passage. Hij in een keurig grijs pak, dat altijd iets van dat keurig verliest met hem erin. Ik in mijn blauwe jas met nepbontkraag of in mijn paarse bisschopjas en heel soms in een rood jasje dat ik opduikelde in de kringloopwinkel. Hij lacht al op voorhand naar me, ik hoef er niets voor te doen, mezelf zijn is voldoende. Vandaag zag ik hem weer, het was nu al een tijdje geleden. Omdat hij net een klant uitliet, liep ik zonder storend groeten door maar ik zag nog net vanuit mijn ooghoeken dat hij me zag. Ik zag een verraste blijdschap over zijn gezicht glijden en dat hij – heel even- zijn klant, een in mantelpakje gestoken dame op leeftijd, vergat en zich wat naar voren boog om me beter na te kunnen kijken. Wauw dacht ik, de lente is weer in het hart.

.

 

die heerlijke geur

ik loop nog eens langs

om hem te ruiken

Read Full Post »

Het is voor zover ik me herinner op een zondagmiddag. Ik sta op het perron, de trein loopt binnen en ik stap in. Ik vind een mooi plekje voor mezelf alleen, echter dit duurt niet lang. Drie opgeschoten knullen van Marokkaanse afkomst komen bij me zitten. Ze zijn in een ‘jolige’ stemming en zoeken op een wat pesterige manier contact met me. De jongen die naast me zit heeft een sterk oogcontact met de oudste van de drie die pal tegenover me zit. Hij schuift een beetje naar me toe. Zo mevrouw, gaat u op reis? Ja, jullie ook? Ze grinniken en ik lach ze toe. Dan, als ik voel dat ze zin in een pretje lijken te hebben vuur ik mijn vraag af.
Lezen jullie wel eens gedichten?
Huh!?! Wat heb je daar nu aan!
Nou, om te beginnen, je kunt er je gevoel in kwijt of je leest dat iemand anders het hetzelfde voelt als jij, ook al staat het er niet precies zo, je voelt het dan door de manier waarop er met taal gespeeld wordt. Ze merken wel dat ik op mijn stokpaardje zit en dat ik nog veel meer zou kunnen en willen zeggen.
De knul naast me schuift van me af, hij aarzelt. Ik schrijf soms een gedicht, geeft hij toe.
De andere twee lachen hem uit.
Wat goed van je, zeg ik, doe je er verder nog iets mee?
Ik zou het wel graag willen.
Ik vertel hem over wat podia waar hij heen zou kunnen gaan. Hij is oprecht blij en de twee andere knullen zijn op heel andere gedachten gebracht. Ze mijmeren nog wat voort over het schrijven van gedichten en we komen aan op de plaats van bestemming als vier mensen die elkaar vonden.
.
mijn reisgezellin
zo noem ik haar, die vrouw
in het coupéraam

Read Full Post »

 

groter en groter

worden de schaduwen

eer zij verdwijnen

.

 

Soms loop ik wat doelloos door het huis. Ik zet een boek weg, haal de stofdoek over de piano, hang de was op, maak een stapeltje van wat tijdschriften en terwijl ik deze handelingen verricht denk ik, ik ben aan het leven, is dat zo, ben ik nu aan het leven? Soms komt dan als vanzelf een gedicht in me op, Bolero van de dichter Willem Adelaar bijv. ‘ik pak kogellagers uit ‘ of, als ik dreig af te dwalen naar versombering, een regel uit een van mijn eigen gedichten, ‘geen meisje meer van dertien en toch er tussenin’ en als ik nog dieper ga graven duikt er een regel op als, ‘hoe meer ik te weten kom des te meer vraag ik mezelf af’,  eveneens uit een van de eigen, al oude, bundels. Ik stel me voor dat er iemand naar binnen kijkt. Het is een vrouw, ze spiegelt zich aan me, recht haar rug omdat ze vast kan stellen dat er meer zijn als zij, of ze voelt zich rijk, omdat ze het vele malen beter voor mekaar heeft, dan die vrouw in haar huiskamer, een boek in haar hand, de blik op oneindig. In het meest gunstige geval zou ik kunnen denken aan de drie regels uit Pauwenveren en judaspenning

.

zo blij met weinig

een schrift, een potlood en

zijn aanwezigheid

 

Soms ben ik zo druk in de weer, met van die dingen doen, die nauwelijks tot resultaat leiden, dat ik wel vast moet stellen dat ik niets doe. Als ik dat eenmaal heb besloten kan ik daar ineens om lachen en, zoals volgens mij iedereen dat kan, kan ik mezelf weer bijzonder goed opkrikken, met een diversiteit aan verontschuldigingen. Natuurlijk doe ik iets, deed ik iets, ga ik iets doen! En ja, dan gá ik doorgaans ook iets doen, iets wat opvalt, iets dat me de wetenschap oplevert, dat de vrouw die naar binnen keek, als ze weer kijkt, een vrouw zal zien die leeft en weet dat ze leeft.

.

 

of vergis ik me

onderga ik een veelvoud

aan weinig

Read Full Post »

Negentig is ze, dit jaar geworden. Haar man, iets ouder, heeft Alzheimer. Soms wordt hij kwaad, zegt ze, dan schreeuwt hij tegen me en slaat met de deuren. Nu staat hij onder de douche. Ze houdt een korte adempauze en vertelt verder. Mijn zoon doet boodschappen voor ons maar hij wil niet naar de zaak waar ik sommige producten koop. Als ik hem uitleg dat ik het zo nu eenmaal altijd doe wordt hij kwaad. Ik wil dan tegen hem roepen dat ik er zelf wel even heenga maar dan doet hij geen boodschappen meer voor me. Dus zwijg ik er over. Van mijn andere zoon hoor ik weinig. Skypen? Wat is dat precies? We hebben geen computer. Nee, mopperde mijn zoon toen ik er om vroeg, dan kan ik hier elke dag dingen komen herstellen omdat jullie iets fout deden. Tja.

Opnieuw volgt er een korte adempauze. Op mijn vraag of ze zich goed gezond voelt antwoordt ze nogal zakelijk; ik loop met een rollator tegenwoordig maar ik doe zelf het huishouden nog. Ik moet wel vaker gaan zitten de laatste tijd. Even op adem komen. De coronacrisis is erger dan de oorlog. Tijdens de oorlog hoorde je de vliegtuigen aankomen, je wist wanneer je schuilen moest. Tegen dit virus kan niemand zich beschermen. Wat we zoal doen vraag je. Puzzelen, sudokus invullen. Mijn man weet nauwelijks de weg naar het toilet maar hij is erg goed in cryptogrammen oplossen, snap je dat nou!? Tijdens zijn driftbuien hou ik me zo stil mogelijk, ineens zijn ze dan weer over en zit hij weer te puzzelen. Ja hoor, we komen onze tijd wel door maar het is niet leuk hè, het is echt een hele nare tijd. Oh, ik hoor de douchekraan niet meer, ik moet ophangen. Let goed op jezelf, dag.

 

 

gesprek beëindigd

lang nog trillen ze na

haar woorden

Read Full Post »

Als ik een afspraak heb zorg ik altijd dat ik wat eerder ben. Dit soms tot grote hilariteit van het thuisfront, dat dan bijv. liefjes vraagt hoe lang ik er over denk te rijden. Dat ik vroeger ga is omdat ik tegenslag incalculeer. De brug kan open zijn, je kunt in een file terecht komen. Dat ik er goed aan doe bleek op een ochtend. Ik ging naar afdeling burgerzaken om mijn rijbewijs te laten verlengen, de afspraak stond op 10.15 uur. Ik ging vroeger omdat ik nog pasfoto’s moest maken. Dat kan daar. Echter wat bleek, het apparaat was stuk. Voor pasfoto’s kunt u naar de Kiekshop in het centrum, zei de vrouw achter de balie behulpzaam. Van tijd genoeg schakelde ik over naar iets meer haast. Ik parkeerde mijn auto en vloog de zaak binnen. Ik wil graag zo snel mogelijk pasfoto’s, hijgde ik.  Ik wil u graag van dienst zijn mevrouw, klonk de stem, van de jonge dame die me tegemoet liep, geamuseerd, maar helaas, wij zijn een brillenzaak. Oh, grinnikte ik, geheel gevrijwaard van gêne, daar hoor ik dan kennelijk thuis. Veel tijd om mee te lachen had ik niet maar het was er voor een moment erg gezellig. Snel door naar de fotograaf en weer terug naar de afdeling burgerzaken. Al met al was ik eerder thuis – 10.14 uur – dan het tijdstip waarop mijn afspraak stond gepland.

Zo vielen het nut van eerder vertrekken, een subtiele vingerwijzing van het engeltje op mijn schouder (bril nodig!) en de stof voor dit stukje samen.

.

hij zoekt zijn bril

onder mijn voet het kraken

van iets breekbaars

.

Haiku uit: Pauwenveren en judaspenning

Read Full Post »

Older Posts »