Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Proza’ Category

net toen ik aan de wereld wilde vragen waarom ik eigenlijk was uitgenodigd om te komen leven zag ik een rood geschilderde, houten kerk op een wankel tafeltje staan. De deuren zwaaiden uitnodigend open. Als in een roes trok ik mijn gele poppenlaarzen aan en stapte naar binnen.

Helemaal vooraan nam ik plaats op een bank waarvan je aan het hout kon zien dat er al behoorlijk wat houtwormen mij voor waren gegaan .

Er plakten duivenveren op de vloer en tegen de wanden.

Dankjewel, klonk plotseling een vriendelijke mannenstem.

Waarvoor? vroeg ik, in alle bescheidenheid denkend aan de vraag die mij hier bracht.

Dat je naar binnen durfde te komen, de stilte gele laarsjes bracht en nieuwsgierigheid, luidde het antwoord.

Devoot boog ik het hoofd. Pas toen de mannenstem me vriendelijk vroeg of ik wellicht de duivenveren wilde opruimen werd ik even te groot voor het kerkje. Al snel dacht ik echter het verzoek als een antwoord op mijn vraag te mogen begrijpen

Ik was uitgenodigd om te zijn wie ik ben, soms argeloos, soms nieuwsgierig en altijd geschikt voor wedervragen en het opgelegd krijgen van schijnbaar nutteloze taakjes.

bijna onvindbaar
als de zerk onder het mos
een verwaarloosd hart

Advertenties

Read Full Post »

Pasgeleden besloot ik om eens gezellig in mijn uppie te gaan lunchen. Aanvankelijk stond ik gewoon bij het restaurant dat bij de winkel waar ik was hoorde de menukaart te bekijken, tot de uitbater van het restaurant naast me kwam staan.

En? Staat er iets bij voor u?

Ik ben wel nieuwsgierig naar de soep van de dag.

‘Peultjessoep staat vandaag op het menu.

Peultjessoep? Hmm, dat heb ik nog nooit gehad volgens mij.

Na enige aarzeling was ik om en besloot voor die soep te gaan.

Het restaurant liep in een boog en ik ging strategisch zitten, met mijn rug naar de muur, halverwege de ronding. Vanaf die plek kon ik het hele restaurant overzien. Niet dat er veel te beleven viel. Er zat een echtpaar vlakbij de bar en verder was het restaurant leeg, op de uitbater en een vrouw na.

Of nee, zag ik, toen de soep geserveerd werd, rechts naast me, een eindje verderop zat een man.

Op elke tafel stond een vaasje. De man had een aster uit het vaasje op zijn tafel gepakt en begon er blaadjes af te plukken. Even dacht ik dat hij, ze houdt van me, ze houdt niet van me, ging doen maar hij stak ze in zijn mond.

Terwijl ik een hap van mijn gloeiend hete soep nam en vaststelde dat hij heerlijk was, keek ik vanuit mijn ooghoeken nieuwsgierig toe hoe de man de bloem soldaat maakte. Ik voelde eens aan de bloem in het vaasje op mijn tafel. Kunst, stelde ik vast. De man had dus een plastic bloem zitten verorberen. Hij pakte de roos uit het vaasje en begon eraan.

Ik probeerde mijn aandacht op mijn soep te richten wat slechts even lukte want toen de roos op was schoof de man naar me toe. Dat kon gemakkelijk daar onze zitplaats uit een lange bank bestond die heel de ronding van het restaurant besloeg, bovendien was er naast me een tafel vrij . Ik deed alsof ik het niet merkte maar verplaatste wel snel nog even het vaasje op mijn tafel naar de tafel naast me. Daar stonden nu drie plastic bloemen ter consumptie voor de man. Tegen dat hij die op had was ik wel klaar met mijn soep, dacht ik optimistisch. De man bleek echter geen belangstelling te hebben voor de bloemen, hij had het op mijn soep gemunt. Nee hè, ik zocht het restaurant af naar de man die me zo vriendelijk overgehaald had soep te eten in zijn zaak. Nergens te zien. Ook de vrouw was verdwenen en het echtpaar was eerder al vertrokken.

Ineens stond de man op. Goddank, opgelucht nam ik een hap. Mijn vreugde was van korte duur. Gewapend met een lepel kwam hij terug en stevende regelrecht op me af.

Wat hij vervolgens deed weet ik niet, de uitbater dook op en kwam naar mijn tafeltje. Zijn vriendelijke bruine ogen stonden een beetje bezorgd. Smaakt de soep u? vroeg hij.

Hij is heerlijk, antwoordde ik en keek eens om me heen.

Alle bloemen stonden gewoon in hun vaas. Keurig om en om, op het ene tafeltje een aster en een roos en op het volgende tafeltje enkel een roos.

Niks te veel gezegd hè, lachte de man.

Absoluut niet en er zit ook iets heel speciaals in die soep als je het mij vraagt. Heeft u hem zelf gemaakt?

Een beetje wel, klonk het wat ondeugend en met een twinkeling in zijn ogen pakte hij de lege kom op en liep neuriënd naar de bar.

Read Full Post »

Misschien is elke willekeurige andere dag een betere dag om
te doen waar je faalangst van krijgt.
Gebruik op maandag de wc bril als toetsenbord en speel Chopin voor het publiek in de pot.
Vertel de sperziebonen dinsdag over je reis naar het Egypte van je fantasie.
Stroop de mouwen van zijn jas op nu het woensdag is en hij hem toch niet draagt.
Zeg beleefd tegen de hangende tulpen dat ze hun beste tijd hebben gehad. Waarom aarzelen, het is donderdag.
Zeg de postbode dat je van hem houdt, het is vrijdag, treffender dan op zo’n moment kan het niet meer.
Knuffel een voorbijganger, het is zaterdag en kus dat gezicht in de winkelruit, de winkel is gesloten.
Het is zondag. Je overleefde al die maffe handelingen, ga het podium op.
Het kan niet fout gaan omdat je nu weet dat je publiek in de wc drijft, sperziebonen eet, naar jouw Egypte zou willen en de postbode, de voorbijganger en zijn jas
ze houden ook van jou.
Koop nieuwe tulpen.

Read Full Post »

Alweer een tijd geleden bevond ik me in een haikumoment. Met mijn fototoestel en de poppen, waar ik ‘iets’ mee heb, was ik het bos ingetrokken en daar was het, hét moment.
Ik herinnerde me een uitspraak van een zeer gedreven haikudichteres. Een haiku, zo stelde zij, wordt op een haikumoment geboren. Welnu; ik ging op een boomstronk zitten en trachtte het moment in 5 -7 -5 lettergrepen te vangen, het fototoestel hinderlijk bengelend om mijn hals en de poppen even vergetend. Al snel gaf ik het op, klapte mijn romantische bloemetjesboekje dicht en raapte mijn poppen bij elkaar.
In gedachten verzonken struikelde ik en viel, ik vroeg me af of dit wellicht voor een senryu-moment kon doorgaan.
Een uitgelaten hond snuffelde aan me en terwijl ik overeind krabbelde keek zijn baas op me neer. U bent gevallen,’ constateerde hij.
Ik knikte slechts. Of deze ontmoeting nog tot het senryu-moment behoorde of dat ik in een nieuw moment was aanbeland, was wat ik dacht
Een van mijn poppen lag in een wat onhandige pose in het struikgewas. De man en ik keken er naar en zochten vervolgens elkaars blik, hij met opgetrokken wenkbrauwen.
Ik leek hem een verklaring schuldig en hing het fototoestel wat meer in beeld, dat zou moeten volstaan. Ik bevrijdde de pop uit haar netelige positie en vervolgde mijn weg.
Een beetje nederig nu. Ik begreep wel dat de man mij voor thuis als een overjarige poppenmoeder in een anekdote zou verwerken.
Zo had ik achtereenvolgend een haikumoment, een senryu-moment en een anekdotemoment.
Het moment voor een aforisme leek me aangebroken.

bij de bushalte
zij bestudeert haar nagels
hij de rest aan haar

Read Full Post »

Het is weer zover. De melk is op, er is geen kaas meer.

Je winkelwagentje heeft voor de verandering een afwijking naar links, dat komt goed uit, besluit je na wat gehannes, je begint te veel naar rechts over te hellen.

Bij de koeken aarzel je en denkt, de koek is op, hoe vaak zei ik dat al? Een rol Maria biscuitjes ligt nog voor je een antwoord hebt kunnen bedenken in het karretje en voert je meteen even terug naar vroeger. Was het nog maar een beetje zo, een koekje verkruimelen in een pannetje, een stukje appel erbij, het fornuisje aansteken met een aanmaakblokje. Proeven papa? Ze doen het tegenwoordig in Japan maar dan echt alles in het klein, zag je op tv. Je overweegt een verhuizing naar Japan maar bedenkt dan dat je nog wel ergens een oud kookkacheltje hebt staan, dat scheelt een hoop gedoe.

Bij de wijn staat een man van om en nabij de 80 met een fles rode wijn in zijn hand. Mevrouw, vraagt hij, kent u deze toevallig? Merlot, zie je en antwoordt dat het een goede wijn is, soepel, zeg je. De man zet hem terug. Hij houdt waarschijnlijk niet van soepel, begrijp je en denkt er goed aan te doen hem op een Bordeaux te wijzen. En die, klink je met een verbazingwekkende kennersstem, is nogal stroef maar wel vol en krachtig. De man, hij lijkt wat op Rutger Kopland, kijkt naar de prijs en dan naar jou. Hij schraapt zijn keel en je bereidt je voor op een avond in de tuin. Prijzig, zegt hij.

Bij de eieren zoek je, denkend aan je culinaire verlangen, naar de kwarteleieren.

Eenmaal aanbeland bij de kassa met de gebruikelijke boodschappen en de biscuitjes zie je de man terug. Hij heeft voor de Merlot gekozen én de Bordeaux. Als hij je ziet, grinnikt hij wat verlegen en zie je een zweem van de jongen die hij eens was terug in zijn blik. Hij wijst op je biscuitjes. Die zijn lekker, zegt hij, met een beetje boter en hagelslag. Hij pakt iets van de band en toont het je. Het zijn ook Maria biscuitjes. Hij maakt een wat beverig dansje van voorpret. U vergat de hagelslag, merk je quasi droogjes op en hij laat een bulderende lach op je los. De kassière die net nog wat melancholisch voor zich uit zat te kijken lacht mee ook al weet ze niet precies waarom. Voor drie mensen maakt de wat grijze dag plaats voor een zonnig doorkijkje. De vrouw achter je laat een pot appelmoes vallen, hij spat uiteen aan haar voeten. Shit, klinkt het hartgrondig. Scherven brengen geluk, wil je zeggen maar je houdt je in bij het zien van de ravage aan haar voeten en de appelmoesspetters die aan haar broek kleven. De kassière haalt de biscuitjes over de scanner en merkt op dat ze er heel lang geleden, toen ze nog klein was wel eens hagelslag op deed. Dat is me toch lekker, zegt ze. De man en jij kijken mekaar eens aan en krijgen de slappe lach. De appelmoespotvrouw vraagt of de pret wellicht over haar gaat. Ook, hikt je tijdelijke partner in crime. Pas dan lijkt de kassière te zien wat er gebeurde. Een mevrouw heeft een pot appelmoes stuk laten vallen, schalt haar stem via een microfoon door de winkel. De vrouw kucht gegeneerd. De man biedt haar een biscuitje aan en je weet weer precies waarom boodschappen doen soms best leuk is.

bij de groenteman

een weekendhulpje ordent

het schap met druiven

Read Full Post »

Soms denk ik nog wel eens aan meneer pastoor. Meneer pastoor kwam vaak bij ons thuis op bezoek. Dat was gewoon in de jaren vijftig. Meneer pastoor was ook nog eens de broer van mijn vaders beste vriend. Het was dan ook vooral daarom denk ik dat de kleine Hoedemakers hem onmiddellijk opviel toen zij op een dag – in het gezelschap van een hoop collega kleuters – aangehuppeld kwam. We waren op weg naar het gymlokaal. Dat er mede door dat huppelen een ongelukje was gebeurd kon meneer pastoor niet weten. Hij pikte mij tussen al die kleuters uit en tilde me op. Die eer viel me ten deel precies op het moment dat ik in mijn broek gepoept had. Ik geneerde me ontzettend want, ook al dacht ik niet dat het zou stinken, hij zou het ongetwijfeld voelen. Als meneer pastoor al iets gevoeld of geroken had, hij liet het niet merken. Hij knuffelde me, zei iets over het kleine slimme Hoedemakertje en zette me terug op de grond. Niets gemerkt, dacht ik opgelucht en huppelde verder, al was het zo dat ik me niet langer comfortabel voelde. Een broek vol huppelt nu eenmaal niet lekker. Dat de eer van het optillen nog andere consequenties had realiseerde ik me niet. Dat ontdekte mijn moeder thuis. Omdat meneer pastoor mij opgetild had was de poep een soort van geplet. Mijn moeder strafte me voor het broekpoepen en de smeerboel die zij op moest ruimen. Ik mocht ’s avonds na school voor straf niet buiten spelen. Het raam in de gang van ons thuis keek uit op een tegen een dijk oplopend grasveld waar we veel tijd doorbrachten. Ik herinner me dat ik met mijn neus tegen de ruit gedrukt stond en al die vreugde van spelende en joelende kinderen aan me voorbij zag gaan.
Ik heb sindsdien nooit meer in mijn broek gepoept en soms, als ik moeite heb met mijn stoelgang, dan huppel ik eens wat en ben ik weer die kleuter met haar strak achterover geborstelde haar en de paardenstaart die dag in dag uit met haar mee zwiepte gelijk de staart van een kittig raspaardje

voorgoed verbonden
met het historisch stadje
een fataal scheetje

Haiku uit: Pauwenveren en judaspenning

Read Full Post »

Mag ik ook aan die kassa gaan afrekenen, vraagt de vrouw die achter me in de rij staat.
Nee mevrouw, want dan gingen wij er ook wel staan.
Hm ja is ook zo. ik wil ook niet voorkruipen hoor.
Doe dat maar niet nee, dan kom ik in opstand.
Dan sla ik u met mijn schemerlamp.
Als u dat doet dan stop ik deze oorbel in uw neus.
We dikken onze speelse assertiviteit nog wat aan en merken dan lachend op dat het een schande is zo wij tegen elkaar bezig zijn.
En het is nog wel Valentijnsdag, zegt de vrouw.
Helemaal vergeten, ik sla mijn arm om haar heen en ze drukt haar wang tegen de mijne.
Dat is beter hè? lacht ze.
Veel beter.

Read Full Post »

Older Posts »